Oorlog na de bevrijding

Door: Huib D. Minderhoud.Klik ook eens door naar www.dametin.nl

Na de bevrijding van ons land was het hoofdstuk Tweede Wereldoorlog helaas nog niet afgesloten. Er was een deel van Nederland bezet en ook dat moest bevrijd worden. In Nederland Oost-IndiŽ, in 1942 veroverd door Japanners op het KNIL (het Koninklijk Nederlands Indisch Leger), zuchtten nog honderdtwintigduizend landgenoten onder erbarmelijke omstandigheden in gevangenenkampen. Het was vaak zo snel mogelijk een leger op te bouwen, waarmee de Japanners verdreven konden worden. Vrijwilligers, vooral verzetsmensen en leden van Binnenlandse Strijdkrachten (BS) meldden zich aan en zo werden vierentwintig Lichte Infanterie Bataljons (LIB's) gevordm, die voor langere tijd konden worden uitgezonden.

Ze waren vaak streekgebonden en zo ontstond ook het bataljon Drenthe (1-1RI), dat op 25 januari 1946 met het passagierschip Nieuw-Amsterdam koers zetten naar IndiŽ. Het doel: de bevrijding van burgers en krijgsgevangenen uit de kampen en herstel van orde en rust. Verovering van dit gebied was niet meer nodig, want de Japanners hadden op 15 augustus als gecapituleerd, maar twee daen later als was in ons IndiŽ de Republik Indonesia uitgeroepen. Vooral op de eilanden Java en Sumatra kregen nu de Pemuda's, gewapende en vaak wraakzuchtige jongeren, het voor het zeggen.


De Nieuw-Amsterdam

Weliswaar hadden eenheden van het KNIL vanuit AustraliŽ in de oostelijke eilanden het Nederlandse gezag weer hersteld, maar die konden verder niets uitrichten. De inmiddels gelande Engelse troepen waren te gering van omvang om de kampen afdoend te beschermen of te evacueren en zo werden in de periode van september tot november 1945 ongeveer vijfendertighonderd weerloze gevangen door de Pemuda's vermoord. Krachtdadig ingrijpen werd noodzakelijk en de Nederlandse regering besloot de vrijwilligers te laten volgen door dienstplichtigen. Al in september 1946 gingen de eerste eenheden van de zojuist gevormde Eerste Divisie 7 December met de Bossevain naar IndiŽ. Samen met de LIB's zorgden zij voor de repatriŽring van de voormalig kampgevangenen en het herstel van orde en rust in de door hen bezette kerngebieden op Java en Sumatra.

Omdat de provisorisch samengestelde legereenheden van de Republik Indonesia deze gebieden voortdurend aanvielen en mede omdat de Nederlandse regering de voormalige kolonie met zijn plantages, olievelden en steenkoolmijnen weer onder haar gezag wilde brengen, werden twee politionele acties ondernomen.

Ze waren in militair opzicht succesvol, maar met name de Verenigde Staten, die geen onderwerping van het gebied wensten, verplichtten steeds weer tot wapenstilstanden. Tenslotte, op 27 december 1949, werd de Republik Indonesia zelfstandig en tot die datum werden Nederlandse dienstplichtigen uitgezonden. Vijfduizend van de ruim honderdtwintigduizend uitgezonden ingezette militairen sneuvelden en bleven achter op de Indonesische erevelden. Zij en de in de Tweede Wereld omgekomen KNILlers vormen vaak een vergeten groep bij dodenherdenkingen naar aanleiding van de Tweede Wereldoorlog.

Daarom hier de lotgevallen van vier Coevordenaren, die in het KNIL dienden of later slachtoffer werden.


Frits Meijerink

Frits Meijerink

Frits Meijerink werd in 1907 als oudste zoon van het echtpaar A. en H.J. Meijerink-Valkman te Coevorden geboren. Hij meldde zich in 1928 als vrijwilliger bij het opleidingscentrum van het KNIL in Nijmegen. Frits was kapper van beroep, maar hij zag in Nederland weinig toekomst en hoopte in IndiŽ carriere te maken. Bovendien lokte hem het avontuur.

In Nijmegen werd hij opgeleid tot ziekenverpleger bij de MGD (de Militair Geneeskundige Dienst) en hij vertrok in 1929 naar IndiŽ met als standplaats Tjimahi op Java. Hier, in het koele berglandschap, bevond zich een militair hospitaal en Frits kreeg het er uitstekend naar zijn zin.

Toen hij in 1934 met verlof naar Nederland terugkeerde, ontmoette hij in Coevorden Grietje Schoonewille.Enkele maanden nadat Frits weer in de Oost teruggekeerd was, trouwde Grietje "met de handschoen", waarbij zijn broer Jan Egbert als gemachigde optrad. Daarna vertrok zij ook naar Tjimahi.Hier kreeg het echtpaar een gerieflijke woning, waarin de eerste jaren van het huwelijk werden doorgebracht.

Nadat Frits in 1937 bevorderd was tot sergeant, werd hij in Nijmegen belast met de opleiding van KNIL rekruten. Het echtpaar woonde enkele jaren in Nederland, maan vertrok in januari 1940 weer naar IndiŽ, nu met standplaats Magelang. Toen Nederland in datzelfde jaar door Duitsland werd bezet, was het contact met de familie verbroken. Er werd in 1943 nog wel geprobeerd via het Internationale Rode Kruis inlichtingen te verkrijgen, maar dat had geen resultaat.

Na de bezetting van Ned. Oost-IndiŽ door Japan werd Frits Meijerink als krijgsgevangene weggevoerd naar Pakanbaroe op Oost-Sumatra. Hier werden KNILlers en Indische dwangarbeiders tewerkgesteld bij de aanleg van de zogenaamde Pakanbaroespoorweg, dwars door Sumatra.

Onder de duizenden arbeidsslaven, die gehuisvest waren in veertien erbarmelijke kampen langs de lijn, vielen heel veel dodelijke slachtoffers. Frits overleed door uitputting en ontbering op 16 april 1945 in Kamp 9 op 142 km van het beginpunt.

Waarschijnlijk trad hij ook in gevangenschap op als verpleger. De spoorlijn, 220 km lang, kwam merkwaardigerwijs op de dag van de Japanse capitulatie, op 15 augustus 1945, gereed en hij is nooit als zodanig gebruikt.

Grietje Meijerink bracht de oorlogsjaren door in een vrouwenkamp in Ambarawa op Java en overleefde de ellende. Zij keerde na de oorlog naar Nederland terug en hertrouwde later met een jeugdvriend, ook een ex-Kniller. Frits'lichaam werd bijgezet op het ereveld Menteng Poelo op Java.


Ab Meijerink

Albert (Ab) Meijerink

Aansluitend hierop het bizarre verhaal van Frits'broer Albert (Ab) Meijerink, geboren op 25 maart 1921 in Coevorden. Aangemoedigd door het succes van zijn veertien jaar oudere broer meldde Ab zich in 1939 ook aan bij het KNIL. Hij werd opgeleid tot geniesoldaat tweede klas en werd tijdelijk ingezet als rijwielordonnans. In verband met de door de algemene mobilisatie veroorzaakte geringe legeringsruimte, verbleef hij in afwachting van zijn vertrek naar IndiŽ in een villa in Aalsmeer. Op 29 april 1940 tekende Ab zijn dienstverband bij het KNIL, waardoor hj verplicht werd vijf jaar dienst te doen in Nederlands Oost-IndiŽ. Hij kreeg inschepingsverlof tot 10 mei, maar toen die dag aanbrak, kon hij zelfs Coevorden niet meer uit. Vanuit zijn ouderlijke woning in de Eendrachtstraat zag hij vroeg in de morgen Duitse soldaten van het aanvallende Reiter Regiment langsrijden en zijn moeder besefte onmiddelijk de ernst van de situatie."Jongen, dou uut dat pakkie", riep ze en daar ging het uniform, de kast in.

Nadata Ab een eerste oproep genegeerd had, meldde hij zich eind mei dan toch maar bij zijn onderdeel in Aalsmeer. De KNIL eenheid werd ingezet bij de bewaking van het militaire gevangenenkamp Nieuwersluis, waar Nederlandse krijgsgevangenen wegens hun anti-Duitse instelling waren opgesloten. Dat vond Ab maar niks en zijn meisje Dina Rook bezorgde hem een officiele aanstelling bij de Cooperatie in Coevorden. Nu kon hij de dienst uit en kruideniersbediende worden.

Toen op 29 april 1943 alle beroepsmilitairen opgeroepen werden om opnieuw in Duitse krijgsgevangenschap te gaan, bleef hij eerst nog Coevorden en dook daarna onder. Via Emmen bij zijn zuster kwam hij bij een boer in Oud-Lutten terecht. Het arbeidsbureau in Coevorden bezorgde hem tenslotte een baantje als "Elektriker" bij de boortorens van "Preussag" in Veldhausen in Duitsland.Deze maatschappij, die in 1944 in het graafschap Bentheim met succes naar aardolie was gaan boren, gaf Ab door middel van een "Ausweis" een beschermde status.

Toen echter Britse jachtvliegtuigen steeds meer aanvallen gingen uitvoeren en tenslotte schoten op alles wat bewoog, zocht hij ander werk in Coevorden bij de "houtjesfabriek". Dit bedrijf maakte blokjes voor de Duitse gasgeneratoren, waarmee legervoertuigen van brandstof(houtgas) voorzien werden.

Na de bevrijding, eind mei, kreeg Ab een oproep zich te melden bij het wervingsbureau van het KNIL in Den Haag. Samen met Dina ging hij erheen en vroeg aan de selectie officier:"Kan de overheid mij me nu nog wel verplichten alsnog naar IndiŽ te gaan?". Het antwoord luidde ontkennend.

De vijf jaren waren om en Dina en Ab gingen naar huis. Ze trouwden en ze noemden hun eerste zoon Frits naar de broer, die in IndiŽ gebleven was. Ab kreeg een baan bij de NAM in Schoonebeek en daar bleef hij tot zijn pensionering. Een soldaat van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger, die dankzij de Duitse aanval op 10 mei 1940 nooit naar IndiŽ ging en daardoor de Japanse krijgsgevangenkampen ontliep.


Jan Geugies

Jan Geugies

Jan Geugies werd geboren op 15 maart 1925. Zijn vader was Lambertus (Bats) Geugies, voerman bij de Drentsch-Overijsselsche Houthandel en keuterboertje. Zijn moeder was Lammigje (Giene) Zuid, een arbeidersdochter uit Emmen. Het gezin telde drie kinderen (twee dochters en een zoon) en woonde "op de Hare" aan een zijstraatje van de Krimweg. Jan ging naar de Hervormde school en vervolgens naar de Ambachtsschool.

Hier volgde hij de opleiding tot smid en werd na het behalen van zijn diploma knecht bij de smederij van Joh. van der Veen. Jan was een aardige jongen, een vlotte prater, die van plezier maken en uitgaan hield. Daar kwam in de oorlog niet veel van, maar na de bevrijding kon dat tekort volop aangevuld worden. Daarna viel men weer terug in het leven van alledag, want er moest gewerkt worden aan de wederopbouw van stad en land.

Jan snakte naar een vrijer leven en toen dan ook de aanplakbiljetten met de trommelende Nederlandse leeuw in uniform en de wervende tekst "Zie de wereld. Pak aan in IndiŽ. Neem dienst!" verschenen, aarzelde hij niet lang. Hij meldde zich in mei aan voor de Expeditionaire Macht en moest opkomen in Zuidlaren. "Jan was wild van IndiŽ, Hij moest en zou er heen!", herinnert zijn nicht Lien zich nu nog. Zijn ouders waren het niet eens met zijn dienstneming, maar hij was inmiddels volwassen.

Toen Jan het aan zijn oom Koos vertelde, zei deze bedachtzaam:"Daar zitten twee kanten an, Dou kast weerkommen, maar dou kast ok niet weerkommen!". Jan reageerde wat lacherig en zei:"Nou ja, dan hť'k pech gehad!" en hij tekende voor twee jaar dienst in Nederlands IndiŽ. Zijn bataljon, het bataljon Drenthe, het Eerste bataljon eerste regiment Infanterie (1-1 R.I.), dat voor een groot deel uit voormalige verzetsmensen en BS-ers bestond, werd eerst ingezet bij de bewaking van mijnen ruimende Duitse Krijgsgevangen op het Zeeuwse eiland Schouwen-Duiveland. Vervolgens werd het gelegerd in de Seypesteinkazerne in Utrecht, waarna het in de oudejaarsnacht van 1945/1946 in open landingsboten naar Engeland overstak. Hier werden de vrijwilligers voor verdere training en uitrusting ondergebracht in het East Hamstead Camp bij Wokingham.

Op vrijdag 25 januari vertrok de Nieuw-Amsterdam, ingericht voor troepentransport, met de bataljons Drenthe, Groningen en Brabant naar Malakka. Toegang tot IndiŽ bleef hen nog ontzegd, omdat de Engelse regering van mening was dat Nederlandse militairen tot nog meer woedende reacties van de Pemuda's zou leiden. De Nieuw-Amsterdam meerde daarom af in Singapore en Jans bataljon werd gelegerd in tentenkampen bij het voormalige Japanse vliegveld Chaah.

Hoewel de frustratie hierover groot was, bleek het verblijf in Malakka achteraf heel waardevol. Geharde Schotse commando's namen de training van de compagnie van Jan voor hun rekening. De mannen oefenden met scherpe patronen in de rimboe, werden opgeleid in "jungle fighting" en in patrouille lopen en leerden tucht en discipline. Dat zou hen zeer van pas komen.

Intussen verslechterde de toestand op Java meer en meer en de Engelsen kwamen tot het inzicht het niet meer alleen aan te kunnen. De drie bataljons, samengevoegd tot de X brigade, kregen toestemming in Surabaya aan land te gaan. Op 26 maart was het zover en de mannen kwamen juist op tijd om de in de stad aanwezige vrouwenkampen te beschermen tegen de terroriserende Pemuda's. De kampen werden snel opgeheven en de in ellendige omstandigheden verkerende vrouwen en kinderen werden per schip afgevoerd, hun vrijheid tegemoet.

Surabaya kwam nu vast in Nederlandse handen, hoewel ongeregelde bendes 's nachts vanuit het binnenland nog wel aanvallen ondernamen. Ze richtten weinig kwaad aan, want de bewaking door de vrijwilligers was scherp en er werd veel patrouille gelopen.

In oktober 1946 werd het bataljon Drenthe afgelost om dienst te gaan doen in Medan op Noord-Sumatra. Hier was na gevechten een wapenstilstand afgekondigd, maar toen de Drenten er op 13 november aankwamen, hingen er nog overal gewapende TNI-ers rond. Niet voor lang meer, want na enkele dagen werd de stad "schoongeveegd". De TNI (het Indonesische republikeinse leger) trok zich terug in de omringende kampongs en veroorzaakte vandaar nog veel overlast.

Vergeldingsacties vanuit Medan volgden regelmatig. Om aan deze toestand een eind te maken, besloot de legerleiding om op 2 januari 1947 de omgeving van de stad tot op een afstand van vier kilometer van vijanden te zuiveren om daarna een buitenste verdedigingsgordel aan te leggen. Het bataljon Drenthe ging in de aanval!

Vroeg in de morgen baande Jans peloton zich een weg door het vijandige land met als doel de kampong Baroe te bezetten. Door een betrekkelijk open gebied met sawa's en maisvelden liepen de soldaten in linie, het geweer in de aanslag, behoedzaam voorwaarts. Toen ze een bosrand naderden, kregen ze vandaar hevig vuur uit een stelling met een zware mitrailleur. Jan, die aan de buitenkant liep, werd getroffen en viel neer; anderen gingen in dekking. De compagnies-sergeant-majoor Eleveld uit Smilde, in de commandogroep erachter, sloop in een omtrekkende beweging tot achter het vijandelijke mitrailleursnest en wist het met een handgranaat te vernietigen.


 Graf Jan Geugies

Toen was Jan echter al overleden, gesneuveld in dienst van zijn vaderland. Hij werd met militaire eer op een van de burgerbegraafplaatsen van Medan begraven. Sergeant-majoor Eleveld zou later voor zijn moedige actie beloond worden met een bevordering tot adjudant.

Dominee Maarsingh bracht het bericht van Jans dood over aan zijn ouders. Herman Scheffer, kerkenraadslid, ging naar de familie. Toen Lien direct daarop naar oom Bats en tante Giene ging, trof ze daar twee totaal verslagen mensen. Ze waren hun enige zoon kwijt en dat zou hen hun hele verdere leven begeleiden. Jan Geugies werd later herbegraven op een ereveld bij Medan en nog later werden zijn stoffelijke resten overgebracht naar Java.

Daar ligt hij nu op het grote ereveld van Tjimahi.


Teunis Supheert

Teunis Supheert werd op 16 september 1927 in Coevorden geboren. Zijn vader, Herman (Herre) Supheert, loodgieter/gasfitter bij de gemeente was gehuwd met Grietje Berends. Het gezin woonde in de Gasthuisstraat nr. 3 en het telde vijf jongens en twee meisjes. Teunis was het tweede kind, een vrolijke jongen, die voor Supheerts zo typische liefhebberijen had. Hij was muzikaal, speelde trompet en hij voetbalde bij Germanicus. Als lid van de Vrijzinnig-hervormde jeugdbeweging (de VCJC) van dominee Engels werd hij elk jaar gevraagd om op Paasmorgen in alle vroegte van de torentrans van de Hervormde kerk de trompet te steken.Hij speelde de Paasliederen en het gezin Supheert stond dan op zolder om door het kleine dakraam beurtelings naar hem te kijken. Op die zolder sliepen ook alle kinderen; alleen vader en moeder beschikten over een eigen slaapkamer.

Teunis bezocht de Koningin Wilhelminaschool en daarna de Openbare MULO, die op de eerste verdieping gehuisvest was. Voor zijn jongere zusje Feikie, die gedurende die tijd op de lagere school zat, was hij de grote broer, op wie ze altijd kon rekenen. Na het behalen van zijn MULOdiploma in 1944 werd Teunis bakkersbediende. Toen de oorlog voorbij was, meldde hij zich bij de pas opgerichte Rode Kruiscolonne in Coevorden. Hij zette zich hier volledig voor in en droeg het bijbehorende uniform met veel verve.


Teunis Supheert

Goedgekeurd voor militaire dienst werd hij ingedeeld bij het Korps Mariniers en vertrok voor zijn opleiding naar Doorn. In augustus 1948 kreeg hij zijn inschepingsverlof i.v.m. de uitzending van zijn onderdeel naar IndiŽ. Hij had er weinig zin, maar 't was niet anders. De avond voor zijn vertrek gaf hij een afscheidsfeestje voor zijn vrienden en hij kwam flink aangeschoten thuis. Feikie hoorde hem de trap opstommelen en even later overgeven. De volgende morgen was hij weer nuchter en zijn vader zei bezorgd:"Jongen, pas toch goed op!", waarop Teunis opgeruimd antwoordde:"Ach Pa, onkruid vergaat niet!".

Teunis vertrok met de Sibajak naar IndiŽ en na een kort oponthoud in Batavia werd zijn eenheid in Surabaya gelegerd. Gedurende de volgende maanden had hij veel last van heimwee, juist omdat er hier niet zoveel te doen was. Dat veranderde in december 1948. Toen namen de mariniers deel aan de Tweede Politionele Actie met het doel Java te veroveren. De opmars van Teunis'onderdeel werd sterk gehinderd door zware regenval en door een groot aantal versperringen, die de TNI had opgeworpen.

Bovendien werd de tegenstand na verloop van tijd sterker en een verdwaalde patrouille werd door de vijand gevangengenomen en afgeslacht. Toch slaagden de mariniers erin voor eind december dwars door Oost-Java te trekken en de kust van de Indische Oceaan bij Patjitan te bereiken. Om het bezit van deze havenstad ontstonden nog hevige gevechten, die pas met behulp van een landingseenheid beslecht kon worden.

Hierna werden de mariniers ingezet bij de bewaking van heroverde objecten en stellingen er vonden regelmatig schermutselingen plaats. Half januari werd Teunis ziek en overgebracht naar het hospitaal in Patjitan. Hij bleek aan een ernstige vorm van Malaria Tropicana te lijden. De ziekte tastte o.a. zijn hersenen aan en al op 25 januari 1949 overleed de marinier tweede klasse Teunis Supheert te Patjitan, waar hij met militaire eer begraven werd. Het toenmalige Ministerie van Marine berichtte in een door de minister persoonlijk ondertekend schrijven aan de ouders, dat hun zoon tengevolge van een ernstige ziekte was overleden.


Teunis Supheert

Al voordat deze brief bezorgd was, kwam dominee Engels om het treurige nieuws over te brengen. Hij beschreef dit bezoek al in de Ganseveer van maart 2004. Feikie en drie broers zaten ook in de keuken, toen de dominee binnenkwam. Ze herinnert zich nog de donkere ogen van de predikant, die zo indringend keken en verder eigenlijk niets meer. Wel dat vader en moeder zich in de kamer en het verschrikkelijke huilen, dat er opvolgde.


Begrafenis

Op 3 november 1949 werd het lichaam van Teunis overgebracht naar Surabaya om zijn laatste rustplaats te vinden op het ereveld daar.

Moeder Supheert bewaarde al zijn brieven en de toegezonden foto van de begrafenis in een speciaal mandje. Later werden er nog twee kisten met persoonlijke bezittingen bezorgd. Jaren daarna, in mei 1993, toen in Emmen het standbeeld voor gevallen IndiŽ veteranen werd onthuld, waren Feikie en haar moeder ook aanwezig. Mevrouw Supheert-Berends bleek de enige nog in leven zijnde moeder van de dertig omgekomen militairen in Zuidoost-Drenthe.

Deze dag bleek tevens voor haar een afsluiting van het verleden te zijn geweest. Toen zij kort daarop, op 4 juli 1993 in (het verzorgingstehuis ) de Schutse overleden was en Feikie met de familie haar kamer opruimde, zocht ze tevergeefs naar de brieven en de foto.Moeder had ze voor haar dood waarschijnlijk allemaal "weggedaan", verscheurd, vernietigd.

Ze was ermee klaar, het hoefde niet meer. Ze had er vrede mee!




Last update: 18-juni-2007 by www.herdenking.nl