Bisschop en schoolmeester
Aflevering 35 van de historische reeks van Coevorden.


De vrede van Munster, met zoveel geestdrift gevierd, zou ons land geen langdurige periode van rust brengen. al in 1652 brak de eerste Engelse oorlog uit, die na twee jaar weer beŽindigd werd. De Republiek was er niet onbeschadigd afgekomen en de jonge raadspensionaris Johan de Witt nam maatregelen om er voor te zorgen, dat Engeland ons geen tweede keer zou verrassen. De Nederlandse oorlogsvloot werd danig versterkt en beroemde admiraals als Michiel de Ruyter en Maarten Harpertszn Tromp werden belast met de leiding.

Het leger echter werd verwaarloosd en dat zou de Rebpubliek nog duur te staan komen. Vanuit het oosten dreigde namelijk ook gevaar. Daar was in 1650 in het bisdom Munster een nieuwe heerser aan de macht gekomen, die de Nederlanden niet bijster gunstig gezind was. Furst-Bisschoff Christoph Bernhard Freiherr von Galen, die met ijzeren hand zijn machtsgebied regeerde. Toen de stad Munster hiertegen in opstand kwam, belegerde hij zijn eigenen hoofdstedelingen en dwong hen met artillerie-bombardementen tot overgave. Dit optreden leverde hem de bijnaam "Bommen Berend" op.

Zoals we in het septembernummer al zagen, maakte hij aanspraak op Borculo en omgeving. Wel wetend, dat het Nederlandse leger in het oosten weinig voorstelde, besteedde hij veel geld om het zijne zo krachtig mogelijk te maken. Hij voerde een nieuw wapen in. Het mortier, waamee het mogelijk was verhitte ijzeren kogels met een boog op de strooien daken van een belegerde stad te doen neerkomen.
De branden, die er het gevolg van waren, noodzaakten dan meestal tot een haastige overgave.

Toen de Republiek in 1665 opnieuw met Engeland in oorlog geraakte, aarzelde de Furst - Bisschoff niet lang. Zijn troepen drongen behalve de Achterhoek en Twente ook Drenthe binnen. Via Ter Apel en langs Lutten en Rouveen kwamen ze in ons gewest en trokken rovend en plunderend door de dorpen. Tot een bezetting kwam het niet, maar de Nederlandse troepen, o.a. gelegerd in Coevorden, waren evenmin in staat hen te verdrijven. Vooral in Twente en de Achterhoek plunderden de Munstersen zo erg, dat de bisschop er zijn tweede bijnaam aan overhield. "Berendje de koedief!".

Bommen Berend.


Maar ook in Drenthe hielden de rovende soldeniers dermate huis, dat volgens Bentheimer bronnen duizenden Drenten de grens overvluchtten. Toen de bisschop in 1666 gedwongen werd zich terug te trekken, hadden de Drenten eens te meer ondervonden, wat oorlog betekende. Merkwaardig genoeg spreken vaderlandse geschiedenisboekjes bij de behandeling van de TWeede Engelse Oorlog bijna uitsluitend over de Nederlandse heldendaden ter zee. Zelden of nooit over de ellende, die onze oostelijke gewesten hadden te doorstaan. Ze waren niet belangrijk genoeg en het is uiteraard gemakkelijker overwinningen te vermelden dan vijandelijke plundertochten.

Op 29 juni 1670 wordt door "borgemeesteren, Schepenen ende Raedt der Stadt Covorden" in overleg met de "Eerwaarde Kerckenraedt" beroepen tot "Coster, voorleser ende voorsanger, alsmede tot schoelmeester van onze duytsche schoele den Eersaemen Meynert Minnes van der Thijnen". Op een jaarsalaris van vijfentachtiggulden! Verder zal hij ontvangen: van elk burgerkind twee gulden per jaar, van elk soldatenkind een stuiver per week en voor het overluiden van de overledenen zes stuivers. Tenslotte krijgt hij ook nog de opbrengst van een "stuck hoylandt, genaamt d'kleyne Coppel".

Een inkomen dat niet al te hoog is. Dat komt omdat de kosterijgoederen, de kerkelijke landerijen, waaruit hij ook inkomsten krijgt, beperkt blijven tot het "stuck hoylandt". In de dorpen zijn de kosterijgoederen vaak veel uitgestrekter. Toch zal Mijndert van der Thijnen er tevreden mee geweest zijn. Maar even ongetwijfeld zal het hem deugd gedaan hebben burger te zijn van de machtige vestingstad Coevorden. Als een echte zeventiende-eeuwse Nederlander heeft hij de verdedigingswerken bewonderd en niet alleen dat. Hij heeft ze beklommen en bestudeerd en met zijn gevoel voor doelmatigheid zich verdiept in de logische verhoudingen, die de vesting tot een technisch meesterwerk maakten.

Een schoolmeester in de zeventiende eeuw.


Mijndert van der Thijnen, die zich in 1663 al in Coevorden heeft gevestigd, vervangt zes jaar later schoolmeester Henricus Theodori Leeuwerixveld van Linghen, die ernstig ziek is en in 1670 overlijdt. Zijn weduwe komt hierdoor aan de bedelstaf en wordt twee jaar later, na naar Groningen gevlucht te zijn, in het weeshuis "Het Groene Huys" aldaar opgenomen.

Over de juiste naam van onze schoolmeester-koster bestaat hier en daar verschil van mening. Was zijn achternaam nu van Thienen, van Tienen, van der Thynen of van der Thijnen? Gezien in het licht van de slordige schijftrant, die in de zeventiende eeuw gemeengoed was, is het heel moeilijk de juiste schrijfwijze op te sporen. Het meest voor de hand liggend is toch Van der Thijnen, omdat zijn eigen handtekening zelfs de twee puntjes op de ij duidelijk laat zien.

29 juni 1670, Mijndert van der Thijnen wordt "beroepen" tot Schoolmeester in Coevorden.
Een man, die nog van zich zal laten horen!


Last update: 17-03-2007